bell notificationshomepageloginedit profileclubsdmBox

Read Ebook: Ontwerp van wet tot afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee met toelichtende memorie by Lely Cornelis

More about this book

Font size:

Background color:

Text color:

Add to tbrJar First Page Next Page Prev Page

Ebook has 93 lines and 9310 words, and 2 pages

Gedurende de droogmaking zal de droogvallende, moerasachtige bodem aanleiding kunnen geven tot de ontwikkeling van malaria-ziekten. Hetzelfde zal het geval zijn in de eerste jaren na de droogmaking, gedurende het verkavelen en zwart maken van den grond. Het met deze werkzaamheden belaste werkvolk staat aan malaria-invloed bloot.

De wijze, waarop het werk wordt uitgevoerd, zal echter van grooten invloed zijn op de hygi?nische toestanden waaronder het werkvolk verkeert. Door de droogmaking te bewerkstelligen van achtereenvolgende, niet te groote oppervlakten en de drasperiode daarvan zooveel mogelijk te beperken, verder door het waterpeil zoo snel mogelijk te doen dalen en zooveel doenlijk op konstante hoogte te houden, heeft men het in handen de malaria-periode te verkorten. Bovendien is men heden ten dage tegenover malaria, zoowel preventief als curatief, beter geneeskundig gewapend dan vroeger.

De waarschijnlijkheid, dat malaria-ziekten zich op eenigszins aanzienlijken afstand van de broedplaatsen zouden uitbreiden, is uiterst gering. De mogelijkheid van door malaria te worden aangetast zal beperkt blijven tot de drooggemaakte polders zelf en de naaste omgeving langs de Zuiderzeeoevers. Is echter de schadelijke periode voorbij, dan mag de toestand der oeverlanden beschouwd worden als hoogst waarschijnlijk hygi?nisch gunstiger dan thans.

De vraag kan gesteld worden of de overgang van zout- tot zoetwater geen schadelijke gevolgen zal hebben voor de oeverbewoners.

De ervaring leert toch in het algemeen, dat lagere organismen niet blijven bestaan wanneer zij van zout- in zoetwater worden overgebracht. Het afsterven van zulke organismen op groote schaal zou leiden tot rotting en derhalve tot vorming van stinkende producten, vooral dan, als het water stil staat en hoogere temperatuur de rottingsprocessen begunstigt.

Gaat men echter na, hoe thans de toestand is van de Zuiderzee, dan staat vast dat daarin zoowel in zoet- als in brak- of zoutwater levende lagere organismen verblijven. Immers nabij den IJssel komen plaatsen voor, waar het water slechts weinig van zoetwater verschilt en terwijl in eene breede strook langs de Utrechtsche, Geldersche, Overijsselsche en Friesche kust tot nabij Stavoren het soortelijk gewicht minder is dan 1,008, verschilt het in het Noordelijk gedeelte niet veel van dat van zeewater. De lagere organismen in de Zuiderzee moeten zich dus reeds hebben gescheiden in die, welke enkel in zoet-, enkel in brak- of enkel in zoutwater kunnen gedijen, terwijl sommige hunner het zoover moeten gebracht hebben, dat zij minder gevoelig zijn voor wisselingen in het zoutgehalte van de hen omgevende middenstof.

Waarschijnlijk mag men het derhalve achten, dat de Zuiderzee voorwaarden levert om aan lagere organismen gelegenheid te geven, geleidelijk hun woongebied te verplaatsen naar mate het minder zoute water het terrein van brak- of zoutwater verovert.

#3?. De voorziening in de belangen van waterkeering, afwatering en scheepvaart.#

Het ligt in de bedoeling, den Frieschen zeedijk bij den afsluitdijk te verhoogen tot het peil, waarop de kruin van den afsluitdijk zal komen te liggen, en die verhooging noordwaarts geleidelijk te niet te doen loopen bij Zurig. Voor deze verhooging kan ten deele worden gebruik gemaakt van den uit de ontgraving voor het kanaal Harlingen-Piaam voortkomenden grond.

Evenzoo is eene verhooging van den Balgdijk in Noordholland, beginnende bij den afsluitdijk en noordwaarts te niet loopende, ontworpen.

Zooals in het bovenstaande reeds werd opgemerkt, worden in verband met de afsluiting geen andere werken tot voorziening in de belangen der afwatering vereischt, dan de uitwateringssluizen op Wieringen, die in het plan van de afsluiting zijn opgenomen.

Het kanaal Harlingen-Piaam dient zoo dicht mogelijk bij Harlingen uit te monden in het kanaal van Koetille naar Harlingen, en kan voor een groot gedeelte worden gevormd door verruiming van de bestaande dijkvaart. De bodem moet eene breedte van 20 M. bij eene diepte van 2.40 M. onder Friesch zomerpeil verkrijgen, terwijl voor de onteigening is te rekenen op eene latere verbreeding van het kanaal met 10 M.

Te Piaam is eene schutsluis te bouwen van 8 M. wijdte met 2.50 M. diepte op den slagdrempel en 50 ? 60 M. schutlengte.

De verbetering van het Zwolsche diep zal bestaan in het uitbrengen van nieuwe, verder buitenwaarts reikende, leidammen en het baggeren van eene vaargeul van voldoende diepte tusschen die dammen.

De verbetering van de Zuiderzeehavens zal bestaan in het verdiepen van die havens, zoodanig dat daarin onder het peil van het IJsselmeer dezelfde diepte wordt aangetroffen als thans bij dagelijksch hoogwater aanwezig is. Deze verdieping is noodig voor alle havens, daar deze toch zoowel tijdens als n? de afsluiting toegankelijk moeten blijven. Voor die havens, welke niet spoedig na de afsluiting door de droogmaking van de rechtstreeksche gemeenschap met het IJsselmeer afgesloten worden, zal wellicht ook eenige verlenging van de havendammen noodig blijken.

Ter voorziening in de afwaterings- en scheepvaartbelangen van de landstreken, die door de droogmakerijen van het af te sluiten deel der Zuiderzee worden afgesneden, zijn de volgende werken ontworpen:

Langs de geheele inpoldering van Blokkershoek tot Monnikendam is een uitwaterings- en scheepvaartkanaal ontworpen, dat te Lutje-Schardam door eene uitwaterings- en schutsluis in twee panden is verdeeld.

Het noordelijk pand komt in den regel gemeen te liggen met het IJsselmeer. Alleen bij buitengewoon hooge of lage waterstanden van het meer moet dit pand kunnen worden afgesloten, waartoe bij Blokkershoek eene uitwaterings- en schutsluis is te bouwen.

Het zuidelijk pand komt in open gemeenschap met den Schermerboezem. Het loost te Monnikendam door een schut- en uitwateringssluis op het IJsselmeer en te Lutje-Schardam op het noordelijk pand.

Het zuidelijk pand is bij Edam en Schardam en het noordelijk pand bij Hoorn door eene schutsluis in verbinding te brengen met de watergangen in den nieuwen polder. Voorts zijn op twee plaatsen schutsluizen ontworpen tot verbinding van den nieuwen polder met het IJsselmeer.

Daar door de verlaging van den waterstand op het zuidelijk deel der Zuiderzee na de afsluiting, de thans reeds ongunstige toestand van den toegang tot de haven van Monnikendam nog zal verergeren, is in het belang der scheepvaart de vaart van Monnikendam naar Ilpendam langs de ringvaart van de Purmer, te verbeteren, en op laatstgenoemd punt door eene schutsluis in verbinding te brengen met het Noordhollandsch Kanaal.

#4?. De voorziening in de belangen der defensie.#

Het ligt in de bedoeling, de in de begrooting opgenomen post van 10 millioen gulden voor voorzieningen in de belangen der defensie te besteden voor de navolgende werken:

ART. 2.

Op de Zuiderzee bestaat eene levendige visscherij, voornamelijk op haring, bot, ansjovis, spiering, aal en garnaal.

Er zijn gemeenten, vanwaar uitsluitend op de Zuiderzee gevischt wordt, andere waarvoor de Zuiderzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar ook gedeeltelijk op de Noordzee gevischt wordt en eindelijk zulke, waarvoor de Noordzeevisscherij hoofdzaak is, doch vanwaar gedurende een gedeelte van het jaar ook op de Zuiderzee gevischt wordt. Afziende van de laatste, blijven voor de beide eerste categorie?n 18 gemeenten over, met eene vloot van meer dan 1500 vaartuigen, bemand met 3000 koppen, waarmede uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee gevischt wordt.

Die opbrengst van de Zuiderzeevisscherij is aan zeer groote wisselvalligheid onderhevig. Voor een ongunstig jaar als 1888 wordt de waarde die de gevangen visch aan de visschers opbrengt, op ruim 1 millioen gulden geschat; gewoonlijk echter is de opbrengst aanzienlijk meer. Eene overvloedige ansjovisvangst kan alleen reeds in een jaar meer dan 1 millioen gulden afwerpen. Dooreen genomen bedraagt de bruto-opbrengst van de Zuiderzeevisscherij waarschijnlijk ongeveer 2 millioen gulden per jaar.

Na de afsluiting zal het gedeelte der Zuiderzee benoorden die afsluiting voor de visscherij, uitgenomen die van schelpdieren, van geen beteekenis zijn, hetgeen mag worden afgeleid uit het feit, dat daar ook thans nagenoeg geen andere visscherij plaats grijpt, en de natuurlijke omstandigheden aldaar door de afsluiting geen beteekenende wijzigingen zullen ondergaan.

Hoewel het zoetwatermeer achter den afsluitdijk en zoetwatervisschen zal kunnen voeden, zoo zal daarin van eene visscherij op dergelijke groote schaal als thans in de Zuiderzee moeilijk sprake kunnen zijn. Afsluiting van de Zuiderzee maakt dus, reeds tijdens den aanleg van den afsluitdijk, aan de visscherij op die zee als groote industrie een einde.

Niet alleen wordt door de afsluiting aan hen, die thans uitsluitend van de Zuiderzeevisscherij leven, het middel van bestaan ontnomen, maar ook hun materieel, dat ongeschikt is voor de Noordzeevisscherij, wordt nagenoeg waardeloos gemaakt. Aan het nadeel dat de afsluiting voor de Zuiderzeevisscherij te weeg zal brengen, behoort dan ook zooveel mogelijk te worden te gemoet gekomen.

Dit zou in de eerste plaats kunnen geschieden door die visschers, welke thans hun bedrijf uitsluitend of voornamelijk op de Zuiderzee uitoefenen, op Rijkskosten in het bezit te stellen van vaartuigen, geschikt en uitgerust voor de visscherij op de Noordzee. De Staatscommissie geeft nog andere vormen van schadeloosstelling aan de hand en raamt de kosten, die de voorziening in de visscherijbelangen voor het Rijk zal veroorzaken, op f4500000. Het schijnt der Regeering niet noodig, thans reeds in bijzonderheden vast te stellen, hoe aan het verlies, dat de afsluiting aan de Zuiderzeevisschersbevolking zal berokkenen, zal worden te gemoet gekomen; zulks kan later worden geregeld, nadat daarover het advies van eene deskundige commissie zal zijn ingewonnen. Intusschen is in de begrooting van uitgaven op de door de Staatscommissie noodig geoordeelde tegemoetkoming gerekend.

ART. 3.

Het ligt in de bedoeling de uitvoering van de werken, met uitzondering natuurlijk van die ter voorziening in de defensiebelangen, te doen geschieden onder toezicht van de ambtenaren van den Waterstaat.

Dit corps zal daartoe tijdelijk eene uitbreiding moeten ondergaan, daar de gewone dienst zijne eischen blijft doen gelden.

Het is evenwel, met het oog op de velerlei belangen van uiteenloopenden aard, die bij de uitvoering van het geheele werk betrokken zijn, wenschelijk dat er een centraal lichaam besta, dat de achtereenvolgens op te maken ontwerpen aan die verschillende belangen kan toetsen, ten einde die, met het geldelijk belang van den Staat, zooveel mogelijk tot hun recht te doen komen.

De samenstelling van dat centrale lichaam, dat als eene commissie wordt bedoeld, waarin deskundigen op verschillend gebied zitting zullen hebben, zal nader bij Koninklijk besluit zijn te regelen. Ook zal op die wijze voor de commissie een algemeene instructie moeten worden vastgesteld, waarbij nader valt te overwegen of de taak der commissie zal worden beperkt tot het geven van advies aan de Hoofden der betrokken Departementen, dan wel of aan haar ook deel zal worden gegeven aan de onmiddellijke leiding van de voorbereiding en uitvoering der werken, bijv. door haar op te dragen de voorbereiding van overeenkomsten en regelingen, die aan de uitvoering der werken moeten voorafgaan of daaruit moeten voortvloeien, de voorbereiding van de uitgifte der drooggemaakte gronden, en meer andere bemoeiingen.

Eene dergelijke commissie werd ingesteld bij Koninklijk besluit van 22 Mei 1839 om het speciaal beheer en toezicht uit te oefenen over de bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer. Zij bleef tot de voltooiing van het werk in 1852 in functie, al werd hare samenstelling meermalen gewijzigd.

De leden dezer commissie genoten geen bezoldiging. Zij was verplicht alle voordrachten, door haar omtrent de werken te doen, aan het Departement van Binnenlandsche Zaken te doen toekomen, en kon geen werken doen uitvoeren zonder daartoe te zijn gemachtigd.

In het wetsontwerp voor de bedijking en droogmaking van het zuidelijk gedeelte der Zuiderzee, dat in 1877 werd ingediend, was bepaald dat de uitvoering der werken zou worden opgedragen aan eene door den Koning te benoemen bezoldigde Staatscommissie, wier instructie bij Koninklijk besluit zou worden vastgesteld.

Het volgen van den laatsten weg komt der Regeering minder aanbevelenswaardig voor, daar hierdoor als het ware een college van Staatsambtenaren zou worden in het leven geroepen, onafhankelijk van de betrokken Ministers. Veel meer aanbeveling verdient het, de eenheid tusschen de verschillende werkzaamheden te bevorderen, door de instelling eener centrale commissie, wier taak in de eerste plaats zal zijn der Regeering van advies te dienen, aan welke commissie dan ook een deel der werkzaamheden, de uitvoering betreffende, zal kunnen worden opgedragen, onder de betrokken Ministers evenwel, die voor den gang van zaken verantwoordelijk blijven.

Het komt der Regeering niet wenschelijk voor, in de wet te bepalen of de leden der commissie als zoodanig al dan niet bezoldigd zullen worden; eene beslissing hieromtrent kan bij de instelling der commissie worden genomen.

ART. 4 en 5.

In deze artikelen zijn bepalingen voorgesteld, geheel overeenstemmende met die, welke bij de wetten van 22 December 1861 en 3 December 1874 werden vastgesteld ten aanzien van het beheer der gelden, bestemd voor den aanleg der Staatsspoorwegen en voor de voltooiing van het vestingstelsel.

Add to tbrJar First Page Next Page Prev Page

 

Back to top